Waarom revolutionairen actief zijn binnen de FNV

Related Post

  • No related post.

Door Henk Arondeus.

Dit artikel is geschreven door een van onze leden, het vertegenwoordigd niet per se het standpunt van onze organisatie.

 

De Federatie Nederlandse Vakverenigingen (FNV) is momenteel de grootste vakbond in Nederland en heeft in totaal 1,1 miljoen leden. Het is daarmee veruit de grootse organisatie van werkende mensen in Nederland. Ondanks dat de bond historisch gezien onder controle staat van reformistische krachten, is het voor revolutionairen een belangrijke organisatie om werk binnen te verrichten. Dit artikel geeft de lezer een overzicht van het verleden, het heden en de mogelijke toekomst van de federatie. Zonder de volledige geschiedenis van de vakbond op te sommen, geeft het inzicht in de dominante ideologische stromingen binnen de FNV. Een goed inzicht in deze stromingen helpt revolutionairen bij het ontwikkelen van de juiste werkwijze binnen de bond.

De FNV komt voort uit een fusie tussen de Nederlandse Verbond van Vakverenigingen (NVV) en het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV). Het NKV stond onder ideologische controle van de katholieke kerk en werd opgericht om te voorkomen dat arbeiders zich bij linkse vakbonden aansloten. De NVV is historisch gezien juist een reformistische vakbond. Zij organiseerde arbeiders op basis van individuele belangenbehartiging en de verbetering van materiële levensomstandigheden. De leiding van deze vakbond was nooit in handen van revolutionairen en onderhield sterke banden met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), de latere Partij van de Arbeid (PvdA). Om de heersende ideeën binnen de huidige FNV te kunnen begrijpen, is het van belang om de geschiedenis van de sociaaldemocratie te kennen.

De kern van de politieke lijn van de Nederlandse sociaaldemocratie dateert uit de jaren dertig van de vorige eeuw. De SDAP heeft  in die tijd grote moeite met het bepalen van haar houding tegenover de economische crisis. Aanvankelijk propageert zij dat de crisis het logische gevolg is van het kapitalisme. In 1933 verliest de partij echter tien procent van de stemmen bij de landelijke verkiezingen. Op basis van deze uitslag neemt de partij een nieuwe resolutie aan. Hierin krijgt het partijbestuur de opdracht krijgt om in samenwerking met het NVV een commissie aan te stellen. Deze commissie dient een concreet plan te ontwerpen, die de ‘overgang’ van een kapitalistische naar een socialistische maatschappij moet bespoedigen.

Het kapitalisme ‘verbeteren’ in plaats van omverwerpen

Anderhalf jaar later presenteren de SDAP en NVV het zogenaamde ‘Plan van de Arbeid’. De belangrijkste doelstellingen zijn een vermindering van de werkloosheid en een verhoging van de levensstandaard voor de volksmassa’s. De middelen om deze doelstellingen te bereiken bestaan uit lastenverlaging, het scheppen van banen met behulp van openbare werken en arbeidstijdverkorting. Ook de oprichting van organen zoals de SER (Sociaal Economische Raad), hét Centraal Plan Bureau en de Stichting van de Arbeid (StvA) worden gezien als uitwerkingen van het plan.

Het Plan van de Arbeid vormt een belangrijk keerpunt in de politieke lijn van de SDAP. De partij begint zich steeds meer te richten op het maken van concreet uitvoerbare plannen, binnen de kaders van het kapitalisme. Ideeën over het grijpen van de macht door de arbeidersklasse, verdwijnen naar de achtergrond. Een belangrijke verklaring voor deze ontwikkeling, is de niet-marxistische definitie van de SDAP ten aanzien van de staat. Zij denkt de politieke macht voor de arbeidersklasse te kunnen veroveren, doormiddel van parlementaire verkiezingen. De sociaaldemocraten koesteren de illusie de staat vervolgens te kunnen gebruik als instrument om de klassentegenstellingen te kunnen opheffen. Dit terwijl Marx en Lenin, in zowel theorie als praktijk, al het tegendeel hadden bewezen.

De positie van sociaaldemocratische organisaties ten aanzien van de staat, beïnvloedt de wijze waarop de klassenstrijd na de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden. De sociaaldemocraten hebben alle voor de arbeidersklasse belangrijke instituten onder de controle van de kapitalistische klasse geplaatst. De sociaaldemocraten negeren hiermee de wijze waarop klassenbelangen het handelen van organisaties onder het kapitalisme beïnvloedt. Een voorbeeld hiervan is de houding van Henri Polak ten aanzien van wetenschappelijk onderzoek. Polak, de grote man van het NVV en de SDAP, was van mening dat dit soort onderzoek beter kon worden overgelaten aan de overheid en dan in het bijzonder aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Zoals hij zelf schreef: “Slaagt het Bureau erin, te geven wat wij nodig hebben, dan behoeven de vakverenigingen zich om de statistiek verder niet druk te maken.” Sociaaldemocraten koesteren dus de illusie dat een instituut onder controle van de kapitalisten, de kennis kon produceren om hen omver te werpen.

De beoogde vreedzame transitie van het kapitalisme naar het socialisme, verdwijnt met de komst van de Koude Oorlog steeds meer naar de achtergrond. De directe verbetering van de levensomstandigheden wordt het voornaamste doel van de NVV en de PvdA. De sociaaldemocraten beginnen het behoud van de macht van de kapitalisten te steunen en willen enkel nog, met zowel de staat als het bedrijfsleven, onderhandelen. De belangrijkste organen waarbinnen deze klassencollaboratie plaatsvindt zijn de SER en de StvA.

Binnen de StvA onderhandelen de partijen over Collectieve Arbeidsovereenkomsten (CAO) op bedrijfstak- en ondernemingsniveau. De SER daarentegen is een adviesorgaan richting de staat. Zij adviseert de regering en het parlement over de hoofdlijnen van het te voeren sociale en economische beleid en belangrijke wetgeving op sociaal-economisch terrein.

Deze organen veronderstellen een gemeenschappelijk belang tussen de staat, de kapitalisten en de arbeidersklasse. Een belangrijk voorbeeld van deze aanname is het akkoord van Wassenaar. In dit akkoord uit 1982 besloten de kapitalisten en de vakbonden gezamenlijk om de loonstijging van werkende mensen te matigen. In ruil hiervoor kregen werkende mensen ‘voordelen’ als arbeidstijdverkorting of belastingvoordeel. Dit beleid van loonmatiging wordt sindsdien voortgezet. Het beleid veronderstelt dat werkende mensen er belang bij hebben dat ‘hun’ bourgeoisie een sterke positie inneemt, binnen de internationale concurrentiestrijd. Een flinke loonstijging zou de concurrentiepositie van de nationale bourgeoisie kunnen beschadigen en daarmee een negatief effect hebben op werkgelegenheid. De vakbonden en politiek stellen sindsdien voornamelijk eisen die niet haaks staan op de belangen, van de  in ons land gevestigde bourgeoisie.

De reformistische vertegenwoordigers van de arbeidersklasse, laten zich hiermee gijzelen door een kapitalistische logica. Zij zijn bang om eisen te stellen die de directe belangen van de arbeidersklasse dienen, zonder rekening te houden met de belangen van de kapitalistische klasse. Door de belangen van de in Nederland gevestigde bourgeoisie te dienen, houdt de vakbond het imperialistische karakter van onze economie in stand.  Dit terwijl de arbeidersklasse in Nederland er geen enkel belang bij heeft om een economische oorlog van de lokale bourgeoisie te winnen. Zij heeft er enkel belang om het in ons land aanwezige kapitaal, onder controle te brengen van het internationale proletariaat.

Onze klasse voert overal ter wereld een politieke oorlog om de productiemiddelen en de grondstoffen onder onze democratische controle te plaatsen. Dit is de enige manier waarop wij de strijd tussen arbeid en kapitaal kunnen beëindigen. Dit is de enige wijze waarop wij wereldwijd een einde zullen maken aan uitbuiting en onderdrukking. Elke politieke lijn die een gemeenschappelijk belang tussen de arbeidersklasse en de kapitalistische klasse in imperialistische landen veronderstelt, kan hier onmogelijk een bijdrage aan leveren.

De politieke lijn van de sociaaldemocratie verzwakt in de loop der jaren nog verder. In 1995 stelt zij zelfs definitief haar ‘ideologische veren’ af te schudden. De PvdA pleit enkel nog voor een ‘eerlijker verdeling’ van kennis, macht en kapitaal binnen de kapitalistische verhoudingen. Een vergelijkbaar proces vindt plaats binnen de vakbond. Waar zij aanvankelijk nog strijdt voor de emancipatie van de arbeiders zelf, krijgt de werkorganisatie langzamerhand steeds meer macht. Veel van de belangrijke besluiten en werkzaamheden binnen de vakbond, worden uitgevoerd door mensen die in dienst zijn van de bond.

Deze zogeheten werkorganisatie bestaat voor een groot deel uit mensen die niet afkomstig zijn van de werkvloer. Zij vertegenwoordigen zogenaamd de belangen van werkende mensen, terwijl zij zelf nooit in de betreffende sector werkzaam zijn geweest. Zij zijn niet verplicht lid van de vakbond, worden niet democratisch verkozen en zijn niet afzetbaar door de leden. Deze goedbetaalde laag van de arbeidersaristocratie, kan vaak niet eens meer worden beschouwd als een vertegenwoordiging van de arbeidersklasse. In lijn met de ideologie van de hedendaagse sociaaldemocratie is zij eerder een bemiddelaar geworden. Zij bemiddelen in de strijd tussen de werkende mensen en de kapitalistische klasse. Hun functie is niet langer om de werkende mensen te ondersteunen bij het veroveren van de macht, maar om de heersende macht in stand te houden. Deze positie komt naar voren in de carrière van veel sociaaldemocratische leiders. Een voorbeeld hiervan is Wim Kok. Hij was aanvankelijk voorzitter van de FNV, werd later minister president namens de PvdA, om vervolgens commissaris te worden bij onder andere bij de ING, Shell en KLM.

De ‘sociale ANWB’

Met de ondergang van de sociaaldemocratische ideologie, rijst voor deze aristocraten ook de vraag wat de functie van de hedendaagse vakbond is. Deze elementen beschouwen de hedendaagse vakbond als  een ‘sociale ANWB’. Zij zien de vakbond als een professionele organisatie, gerund door arbeidersaristocraten, die de individuele belangen van haar leden behartigt. Deze aristocraten onderhandelen namens de arbeiders over hun CAO, verlenen hen juridische bijstand en verzorgen onder andere een belastingservice en loopbaanadvies. Hun enige instrumenten om de arbeidsomstandigheden te verbeteren zijn cao-onderhandelingen, wetswijzigingen en rechtszaken. Deze aristocraten strijken zelf riante salarissen op en gebruiken de vakbond als een opstapje richting een politieke carrière of baan in het bedrijfsleven. Deze elementen zijn over het algemeen geen voorstander van collectieve acties. Wanneer zij echter demonstraties of stakingen ondersteunen, dient dit enkel om de hun onderhandelingspositie tegenover de regering of kapitalisten te versterken.

Naast de PvdA bestaat er binnen de vakbond nog een andere georganiseerde kracht, namelijk de Socialistische Partij (SP). Deze van oorsprong marxistisch-leninistische partij, die aanvankelijk de werken van Mao bestudeerde, had vroeger een eigen vakbond. Deze vakbond genaamd Arbeidersmacht, slaagt erin om succesvol leiding te geven aan enkele stakingen, waaronder de Rotterdamse havenstaking van 1970. Nadat de partij begin jaren ‘90 het marxisme-leninisme verlaat en zetels inneemt in het parlement, heft zij ook haar eigen vakbond op. Haar werkende leden organiseren zich binnen de FNV. Pas rond het jaar 2007 begint de SP merkbaar de werkwijze van de FNV te beïnvloeden.

De SP is de drijvende kracht achter de zogeheten organizing methode. Deze methode is gebaseerd op de succesvolle Justice for Janitors campagne uit Noord-Amerika . De nadruk ligt op het ‘empoweren’ van arbeiders. Zij worden georganiseerd, om vervolgens collectieve acties te voeren zoals demonstraties en stakingen. De arbeiders nemen een actievere rol in, dan bij het traditionele sociale-ANWB-model. Dankzij deze nieuwe werkwijze, worden succesvolle campagnes gevoerd in de schoonmaak en de zorg. In 2012 wordt er zelfs 10 weken lang door de heldhaftige schoonmakers gestaakt. Dit was de langste sector brede staking in Nederland sinds 1933.

De organizing methode past binnen de algehele werkwijze van de SP. De partij heeft een uiterst vervormde opvatting ten aanzien van de massalijn. Zij erkent de noodzaak om de ideeën van de massa’s te verzamelen en op basis daarvan actie te voeren. Deze ideeën worden echter niet verbonden aan een revolutionaire strategie en tactiek. Net als de vroegere SDAP, doorgrondt de SP niet het klassekarakter van de staat en andere instituten onder het kapitalisme. Zij weigert de oude staat te vernietigen en wil enkel ‘aan de knoppen zitten’ . Actie voeren is hiermee vooral een manier geworden om leden te werven en verkiezingen te winnen.

De ‘socialistische’ partij vertegenwoordigt vandaag de dag het sociaaldemocratische geluid uit de jaren ‘70. Bedrijven dienen ‘democratischer’ te worden en mensen heb recht op meer inspraak in bijvoorbeeld hun buurt. De partij bereikt dit, in theorie, door onderdeel uit te maken van bijvoorbeeld ondernemingsraden en woningbouwverenigingen. Zij meent dat actie het middel is om mensen te emanciperen. Doordat arbeiders actievoeren voor de verbetering van de levensomstandigheden, realiseren zij zich het belang van de democratisering van de maatschappij. Organizing past binnen deze ideologie. Door arbeiders te organiseren hoopt deze stromingen dat zij zich verder zullen emanciperen.

Waarom zijn revolutionairen actief in een reformistische vakbond?

De hedendaagse FNV kent dus twee dominante stromingen, beide uitgesproken reformistisch van aard. Het voornaamste verschil is de mate van collectieve actie die men wil ondernemen om haar doelen te bereiken. Beide stromingen bevinden zich in een constant gevecht om leden en middelen. Verschillende elementen binnen de bond gebruiken elkaars campagnes voor hun eigen doeleinden. De voorstanders van een sociale ANWB zien organizing bijvoorbeeld voornamelijk als een manier om nieuwe leden te werven. Deze leden proberen zij vervolgens middels individuele belangen behartiging te consolideren.

Waarom zouden revolutionairen actief willen zijn in een uitgesproken reformistische vakbond? Lenin beantwoorde deze vraag al in 1920, in zijn boek, ‘De linkse stroming, een kinderziekte van het communisme’:

“Niet in de reactionaire vakbonden werken betekent de onvoldoende ontwikkelde of achterlijke arbeidersmassa’s overlaten aan de invloed van de reactionaire leiders, aan de agenten van de bourgeoisie, aan de arbeidersaristocraten of de ‘verburgerlijkte arbeiders’

…                                                                                                                                                                   

Als men de ‘massa’ wil helpen en de sympathie, de genegenheid, de ondersteuning van de ‘massa’ wil verwerven, mag men geen moeilijkheden vrezen, mag men niet bang zijn voor chicanes, voetangels, beledigingen en vervolgingen van de kant van de ‘leiders’ (die als opportunisten en sociaal-chauvinisten in de meeste gevallen direct of indirect met de bourgeoisie en de politie in verbinding staan) en moet men beslist daar werken waar de massa’s zijn.

Men moet elk offer kunnen brengen en de grootste hinderpalen kunnen overwinnen om systematisch, hardnekkig, volhardend, geduldig propaganda te maken en agitatie te bedrijven juist in die instellingen, verenigingen en bonden — al zijn het ook de reactionairste — waar zich proletarische of halfproletarische massa’s bevinden.”      

Revolutionairen werken in reformistische en  reactionairen vakbonden omdat zij daarbinnen de proletarische massa kunnen bereiken. Het is daarom belangrijk om al het werk binnen de vakbond te meten aan deze maatstaf. Sommige sectoren van de vakbond en veel van haar zogenaamde kader bestaat voornamelijk uit baantjesjagers en arbeidersaristocraten. Wij mogen de werkende leden van de vakbond echter niet overlaten aan hun invloed. Revolutionairen dienen daarom een goede analyse te maken van de klassensamenstelling van de sectoren en bonden waarbinnen zij actief zijn. Werken binnen de bond is enkel nuttig wanneer dit ons daadwerkelijk in contact kan brengen met strijdbare elementen van de arbeidersklasse.

Ondanks het reformistische en pro imperialistische karakter van de vakbond, liggen er in de nabije toekomst zeker kansen voor de revolutionaire beweging. De twee dominante stromingen binnen de bond zijn namelijk verwikkeld in een onproductieve lijnstrijd, die op korte termijn niet zal worden beslecht. Deze strijd vindt namelijk niet plaats onder een duidelijke strategie of ideologische leiding. Dit terwijl de leden dorstig zijn naar ideeën die daadwerkelijk de belangen van de arbeidersklasse dienen.

Het is van groot belang dat de revolutionaire beweging in Nederland zo snel mogelijk maatschappelijke analyse opstelt en op basis daarvan een revolutionaire programma met bijbehorende strategie en tactiek uitwerkt. Op basis van deze essentiële werken zullen vele mensen gezamenlijk kunnen werken aan de uitvoering van deze plannen. Het zal ons werk in de vakbond sturen en het mogelijk maken om klassenbewuste elementen, onder zowel de leden als de werkorganisatie, omtrent een revolutionaire lijn te organiseren. Deze plannen bevatten onder andere een manier om te breken met de geschiedenis van klassencollaboratie binnen de vakbond en het ontwikkelen van een anti-imperialistische lijn.

Totdat deze stukken zijn uitgewerkt zijn er enkele principes waarmee revolutionaire krachten binnen de bond kunnen werken. Revolutionaire Eenheid publiceerde afgelopen 1 mei een statement, met daarin twee belangrijke slogans. Dit waren ‘Vertegenwoordig onze klasse’ en ‘Democratiseer de FNV’. De vakbond vertegenwoordigt op dit moment voornamelijk de welgestelde elementen van de arbeidersklasse. Dit zijn vaak witte, valide, gedocumenteerde, cis-gender en heteroseksuele mannen wiens beroep onder een CAO valt. Dit is echter de groep binnen de arbeidersklasse die vaak relatief gezien het minst uitgebuit en onderdrukt wordt. De revolutionaire beweging dient juist de meest onderdrukte en uitgebuite klasse en groepen te organiseren. Het zijn juist deze secties van de bevolking die het meeste belang hebben bij een radicale verandering van de maatschappij. Wij dienen deze elementen van onze klasse zoveel mogelijk binnen de bond te organiseren en gezamenlijk te strijden tegen uitbuiting en onderdrukking.

Ten slotte dienen wij waakzaam te zijn op elke vorm van frictie tussen de werkende leden en de werkorganisatie. Overal binnen de bond klagen de leden over de politieke lijn en werkwijze van de arbeidersaristocraten. Revolutionairen dienen de leden te steunen in hun strijd voor een maximale hoeveelheid invloed binnen de bond. Wanneer de tegenstellingen tussen werkorganisatie en de leden het werken onmogelijk maken, dienen wij met de leden na te denken over mogelijkheden om de strijd in andere organisatievormen voor te zetten. Zo kan de arbeidersklasse onder haar eigen controle strijden tegen uitbuiting en onderdrukking, die het kapitalisme voortbrengt.

Laten wij een maatschappelijke analyse, revolutionair programma, strategie en tactiek ontwikkelen!

Laten wij strijden voor eisen die de belangen van vrouwelijke, gekleurde, niet-Nederlandse, on-gedocumenteerde, niet-valide en LHBTQ+ werkers vertegenwoordigen!

Laten samen met de leden strijden tegen de invloeden van de arbeidersaristocratie!

 

Leave a Comment