Schets voor een klassenanalyse van NL

Inleiding

De volgende klassenanalyse is aardig op weg om rijp te worden en haar karakter als “schets” te verliezen. En ook al geldt het nog als een schets in het proces van rijpwording vind ik niet dat we deze klassenanalyse kunnen verwaarlozen. Aangezien alles een begin heeft waarop verder wordt gewerkt. Wetenschap wilt zeggen dat de tekst altijd vergankelijk is afhankelijk aan de ontwikkelingen van de realiteit. Ruimte voor aanpassingen en toevoegingen, mits ze gebaseerd zijn op marxisme en feiten, blijven welkom.

In het kapitalisme bestaan verschillende sociale klassen die ontstaan uit de wijze waarop de productiemiddelen worden bezit en de hoogte van de productiekrachten. Het is cruciaal om deze klassen te herkennen, omdat zij de ontwikkelingen in de maatschappij voortstuwen of tegenhouden. Aan de hand daarvan kunnen we onderzoeken wat de aard en de politieke houding van deze of gene klasse is en waar we onszelf op moeten baseren. We baseren onszelf op de progressieven krachten in de maatschappij, de gematigden krachten proberen we aan onze kant te binden en de reactionaire krachten zullen we isoleren of vernietigen. Oftewel, wie zijn onze vrienden en wie zijn onze vijanden? Een klassenanalyse van ons maatschappij is noodzakelijk, omdat onze strategieën en tactieken aan de hand daarvan worden afgeleid.

Volgens Lenin (1919) definiëren we een sociale klasse als het geheel van mensen die we van elkaar kunnen scheiden in de positie die zij innemen in een historisch bepaald systeem van sociale productie, in hun relatie (in sommige gevallen gefixeerd en wettelijk bepaald) tot de middelen van productie, door hun rol in de sociale organisatie van het productieproces, door de hoeveelheid van het aandeel van het sociale rijkdom die ze vervreemden en de wijze waarop ze het toe-eigenen.1 Deze definitie is erg beknopt en compleet. Met deze enkele zin laat hij niks buiten beschouwing in een objectieve definitie van een sociale klasse.

De rol die iemand in het systeem van sociale productie inneemt en de wijze waarop diegene te werk gaat, is de wijze waarop diegene zijn of haar leven praktisch uitdrukt. Dit bepaalt wie ze werkelijk zijn en waar ze in geloven. Elk persoon in ons maatschappij is lid van één van de onderin genoemde sociale klassen en zijn of haar denkwijze is ook bestempeld en onlosmakelijk verbonden aan deze of gene klasse. Deze sociale klassen worden trouwens niet door een Chinese muur van elkaar onderscheiden, ze zijn het geheel van economische verhoudingen die ons maatschappij omvat. Aan de hand van hun inkomsten kunnen sommige mensen zelfs tot twee verschillende sociale klassen behoren. De Nederlandse maatschappij bestaat uit de volgende sociale klassen met een bijzondere rangschikking tussen sommige van deze klassen:

De burgerij of de kapitalistenklasse:

De burgerij is die klasse van mensen die door middel van kapitaal (vermogen) alle noodzakelijke middelen van productie onder hun beheer hebben geconcentreerd. Hiermee zijn ze de aannemers en aanvoerders van een hele leger aan loonarbeiders. Ze voeren zelf geen essentiële werk uit, maar ontvangen hun inkomsten (winsten) over de ruggen van de werkende klasse door hun meer te laten werken dan ze ervoor ontvangen, oftewel door hun uit te buiten. Hierdoor staat haar economische belang in complete tegenspraak tot de belangen van haar medewerkers, die de meerderheid van de bevolking uitmaakt. Dit is de voornaamste tegenstelling in ons economie waaruit alle andere tegenstellingen uit voortvloeien: de tegenstelling tussen maatschappelijke productie en privé toe-eigening, oftewel het conflict tussen proletariaat en burgerij. In deze tegenstrijdigheid ligt het gehele conflict van onze tijd opgesloten.

De voorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal is een ontwikkelde warenproductie en warencirculatie. De grondvoorwaarden voor het ontstaan van het kapitaal echter is wanneer het zichzelf injecteert in productie. Het brengt een complete scheiding teweeg van de werkenden van hun productiemiddelen, waardoor ze dus “vrij” zijn van alle productiewerktuigen, oftewel beroofd zijn van iedere toegang tot de productiemiddelen. En omgekeerd concentreert het kapitaal de meest noodzakelijke productiemiddelen in handen van één enkele groep van mensen tot hun monopolie, de burgerij. Haar voornaamste doel is om haar kapitaal constant te vermeerderen.

De burgerij heeft de politieke macht in ons maatschappij. Deze hadden ze uit handen genomen van de feodale heren door middel van een langdurige burgerlijke revolutie waarbij ze uiteindelijk haar eigen staat had gevestigd. Dit conflict staat bekend als de “Nederlandse Opstand” of “Tachtigjarige Oorlog”.2 De burgerij kwam in opstand tegen de Spaans-Habsburgse koning Filipis II die het land onder zijn beheer had. De opstand leidde uiteindelijk tot een splitsing in de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. In het noorden werd de Republiek der Zeven Nederlanden gevormd. Daarnaast is de bevrijding van Frankrijk in 1813 en is de grondwetsherziening van 18483 van groot belang in haar politieke ontwikkeling.

In ons maatschappij staat de burgerij bekend als de grootaandeelhouders en ze worden vertegenwoordigd door de burgerlijke politieke partijen, zoals de VVD en de werkgeversorganisaties VNO-NCW en VWOV. De eerste van deze werkgeversorganisaties kwam op als een reactie op de arbeidersbeweging.4

Een van de eerste werkgeversorganisaties was van de sigarenmakerspatroons die ontstond tijdens de opkomst van de moderne arbeidersbeweging eind 19e eeuw. In 1873 kwamen zij bijeen als reactie op een staking in Amsterdam, die diende om een loonsverhoging te verkrijgen. De werkgevers slaagden erin de strijd te winnen en de Nederlandsche Sigarenmakersbond van de werkers kapot te maken. Ze hadden een vereniging opgericht voor patroons en werklieden waarvan één van hun doeleinden was om de “voor beide zoo verderfelijke werkstakingen te voorkomen”.5

Eind 1907 werd de Scheepsbouwers en Fabrikanten Vereeniging te Rotterdam en Omstreken opgericht, waarvan het de leden werd verplicht zich binnen 48 uur na het uitbreken van een staking het bestuur hiervan op de hoogte te stellen en om instructies te vragen. Als doel van de vereniging werd in artikel 1 van de statuten genoemd: “De belangen der leden bevorderen en in het bijzonder deze belangen te beschermen en te verdedigen tegen werklieden of verenigingen van werklieden, die door staking of door andere middelen trachten onnodig belemmerende voorwaarden aan de door leden uitgeoefende bedrijven op te leggen”.6 De burgerij organiseerden zich dus vooral om het opkomend arbeidersverzet te weerstaan. Het was dan ook onvermijdelijk dat deze werkgeversorganisaties zich evenals hun opponenten, de vakbonden, landelijk organiseerden.

De eerste belangrijke nationale werkgeversorganisatie ontstond onder textielfabrikanten uit Twente. Ze wilden de Ongevallenwet7 die in het belang van werkende mensen stond tegenhouden. De organisatie die in 1899 ontstond was de Vereeniging voor Nederlandsche Werkgevers (VNW). Hier kwam in 1968 het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) uit voort.8

De kapitalisten zijn de heersende klassen en een uiterst reactionaire kracht in ons maatschappij die geïsoleerd en bestreden moeten worden. Ze zijn een parasitaire klassen en voeren hun hegemonie uit over de maatschappij d.m.v. de staat en politiek, economische dwang, de media en het onderwijssysteem. Ze hebben onderlinge tegenstellingen en onderscheidden zich in verschillende specifieke kapitalen; de industriële kapitalisten (fabrikanten), de woekerkapitalisten (bankieren) en de handelskapitalisten (groothandelsdrijvers). Wanneer de tegenstellingen zichzelf in de loop van tijd ontwikkelen naar een hogere vorm ontstaat het financierskapitaal, de heersende en meest extreem parasitaire klasse.

Het mondiale financierskapitaal:

Competitie is één van de voornaamste drijfveren van de kapitalistische productiewijze, en de meest complete expressie van een oorlog van allen tegen allen. In deze strijd is de burgerij genoodzaakt om een zo groot mogelijke afzet en winst te behalen, waardoor ze arbeiders, productiemiddelen, arbeidsprocessen en technieken onder hun beheer moeten concentreren om zo met de meest goedkope prijzen de concurrentie uit te kunnen schakelen. Vanuit deze competitie ontstaat er een ontzaglijke concentratie van productie, de vernietiging van de kleine industrieën door de grote industrieën, de vervanging van deze grote industrieën naar reusachtige industrieën, waardoor deze concentratie van productie en kapitaal zijn limiet overschrijd en in monopoliën veranderen: overnames, fusies, kartels, fondsen, multinationals en conglomeraten. Deze monopoliën vergroeien op hun beurt met het kapitaal van een dozijn banken (en verzekeraars) die hun controle uitoefenen op het productieproces.9De concentratie van de productie, de daaruit ontspruitende monopolies, het samensmelten of vergroeien van de banken met de industries — ziedaar de wordingsgeschiedenis van het financierskapitaal en de inhoud van dit begrip.“10

Het financierskapitaal wordt vertegenwoordigd door de burgerlijke politieke partijen VVD, CDA, D66, Christen-Unie (en door omkoping) de top van de PvdA. De rijkste families hiervan zijn Van Beuningen, Philips, Wessels, Zeeman, Blokker, Oranje-Nassau, Goldschmeding, Carvalho-Heiniken, Melchior, Dreesman, Fentener van Vlissingen, de Rijcke, van der Vrom, Brennickmeijer enz. die in het bezit zijn van investeringsmaatschappijen en investeren in gigantische winkelketens, de media, vastgoed, uitzendbureau’s en allerlei industrieën.

Het mondiale financierskapitaal vertegenwoordigt de meest achterwaartse en reactionaire productieverhoudingen en zijn de voornaamste belemmering voor de ontwikkeling van de productiekrachten, vanwege hun particuliere belangen en het gebruik van patenten en octrooien.11

De burgerij zal afzetmarkten en grondstoffen die haar eigen nationale grenzen overschrijden (en dus andere landen, hun regel- en wetgeving aan hun laars moeten lappen) veroveren en nationaal onderdrukken.12 Maar in plaats van de oude wijze waarin het kapitaal door middel van export van de meest goedkope koopwaren andere naties overheersten, exporteren ze in ons tijdperk voornamelijk overbodig kapitaal. De onderdrukking van de geprivilegieerde natiestaten op de zwakkere natiestaten is een eigenschap inherent aan het imperialisme, en staat en kapitaal raken met elkaar verweven. De Nederlandse staat heeft alleen al in de afgelopen 60 jaar meegedaan aan verschillende imperialistische oorlogen om haar kapitaal en macht te vergroten, zoals de Koreaanse oorlog tegen Noord-Korea (1950-1953), de Golfoorlog tegen Irak (1990-1991), de oorlog tegen Irak (2003-2005), de oorlog tegen Afghanistan (2001-heden), de oorlog tegen Libië (2011) en de oorlog tegen Syrië (2016-heden). Het financierskapitaal volgt in haar buitenlandbeleid consistent de leiding van de wereldwijd sterkste imperialistische macht, de Verenigde Staten. Dit komt omdat ze op wereldschaal te zwak is om zelfstandig een rol van betekenis te spelen, maar vooral doordat de VS de grootste investeerder in NL is met een totaalbedrag van $790.385.000.000, wat neerkomt op 20% van de totale buitenlandse investeringen ($3.939.415.000.000).

Door de competitie om grondstoffen en “invloedssferen” komen verschillende monopolies met elkaar in een strijd verwikkeld om de verdeling en uiteindelijk om de herverdeling van de wereld. Er vormen zich internationale monopolistische accociaties van kapitalisten die de wereld onder elkaar verdelen, zoals de Europese Unie, de G-10, de NAVO, de Wereldhandelorganisatie WTO en de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling OESO waar Nederland onder andere lid van is en heeft helpen oprichten. Het kapitaal neemt een internationale vorm aan en schept tegelijkertijd een daaraan beantwoordende internationale arbeidsklasse in alle imperialistische landen. De productie zelf wordt steeds meer vermaatschappelijkt, — honderdduizenden en miljoenen arbeiders worden samengebracht in een planmatig economisch organisme, het schaft een werkvloer voor de wereld — maar het product van de gemeenschappelijke arbeid eigenen een handvol kapitalisten zich toe.

De kleinburgerij:

De kleinburgerij is de sociale laag van mensen die in het productieproces tussen het grootkapitaal en arbeid instaan. Het zijn de eigenaren van kleinschalig kapitaal en bezitten kleine middelen van productie die ze verhuren of zelf verbruiken en eventueel werkers aannemen of door middel van bijstand van familieleden. Het kleinburgerlijke huishouden wordt daardoor meestal gedomineerd door de vader. Dat komt omdat de materiële beslissingen zijn geconcentreerd in zijn handen, waardoor zijn moraal zichzelf in de familie als wet doet gelden.13

Als een zelf betaalde arbeider heeft de kleinburgerij gedeelde belangen met het proletariaat; als bezitter van kleinschalige middelen van productie daarentegen heeft de kleinburger gedeelde belangen met de burgerij. In andere woorden, de kleinburgerij staat verdeeld tussen de belangen van van de twee beslissende sociale klassen, staat daar recht tussenin en is daarom ook erg wankelmoedig en besluiteloos. Een kleinburger is daarom ook altijd opgesplitst in twee personen, oftewel in een reactionaire en een progressieve zijde. Enerzijds denken zij als kapitalist of eigenaar van kleine productiemiddelen aan hun onmiddellijke particuliere belangen die ze gemeen hebben met de rest van de burgerij en droomt ervan om tot deze klasse en haar levensstijl te behoren; anderzijds hebben zij als werker dezelfde belangen als de rest van de arbeidersklasse en deze belangen verdedigen ze ook met het oog op de toekomst.

De kleinburgerij zal het in de strijd om winst moeten opnemen tegen het financierskapitaal om haar eigen bestaan als middenklasse voor de ondergang te bewaren. Deze conservatieve houding geeft haar een reactionaire zijde. Maar de kleinburgerij die deze strijd om winst niet kan winnen staart meestal naar de ondergang in het proletariaat die hun wacht.14 Zouden zij de kant van het proletariaat nemen, dan verdedigen zij niet alleen hun tegenwoordige, maar ook hun toekomstige belangen, dan verlaten zij hun eigen standpunt, om zich te stellen op dat van het proletariaat. Hierdoor is de kleinburgerij ook een integrerend bestanddeel van de sociale revolutie en zal hun participatie de machtsverhoudingen kunnen doen omdraaien. De belangrijkste delen hiervan zijn de kleine ondernemers, maar ook de studenten, docenten, academici en journalisten, omdat zij de publieke opinie sterk kunnen beïnvloeden ten voordele van het proletariaat en bereid zijn tot actie. Deze specifieke delen binnen de kleinburgerij ontstaan vanwege de historische scheiding tussen fysiek en intellectuele (theoretische) arbeid. Typerend voor de kleinburgerij heeft deze intellectuele laag een reactionaire en een progressieve zijde; de ene zijde legitimeert de kapitalistische productierelaties, terwijl de andere zijde deze relaties bekritiseerd.

De docentenstaking van november, 2017 in Den Haag met ongeveer 60.000 stakers, de daaropvolgende stakingen in november en december openbaarde de progressieve kant van de docenten. Dit was een reactie op de bezuinigingen die sinds de economische crisis van 2008 zijn doorgevoerd door Kabinet Rutte-1. Het heeft een verslechtering van het kwaliteit van het onderwijs teweeggebracht, een hogere werkdruk en een vermindering van de salaris. Daarnaast hebben de studentenprotesten en maagdenhuisbezetting van de UvA van 1969 (5 dagen lange bezetting), 1978, 1980, 1986, 1990, 1993, 1996, 2005 en de recentelijke maagdenhuisbezetting van februari 2015 (twee maanden lange bezetting), eveneens de progressieve kanten laten zien van de studenten. Deze protesten en bezettingen hebben verschillende aanleidingen gehad. De meest recentelijke bezetting kwam door de bezuinigingen op het onderwijs, waarbij geesteswetenschappen, literatuur en alle opleidingen die niet productief zijn in de ogen van het kapitaal het hardst werden geraakt.15 Ook waren de studenten tegen de invoering van het leenstelsel, het gebrek aan democratie en het winstbejag in de universiteiten, wat ze uitdrukten in “rendementsdenken” die de faculteiten hebben omgezet in een “diplomafabriek”. De studenten botsen geregeld tegen hun College van Bestuur.

De universiteiten zijn verweven met het financierskapitaal, zoals de UvA met de ABN Amro (later Deutsche Bank) en BNG, en de UU met de ABN Amro. Na 1992 vond er in alle deelnemende landen aan de Europese Unie een grootschalige privatiseringsgolf plaats. Allerlei staatsbedrijven werden naar de beurs gebracht. In 1995 werd het eigendom van schoolgebouwen, hospitalen en tehuizen overgedragen aan hunzelf op voorwaarde dat zij de financiële verantwoordelijkheid zouden overnemen. Daarnaast is sinds de jaren 60′ het aantal studenten in de universiteiten verdrievoudigd wat leidde tot een forse stijging van het budget voor universitair onderwijs. De universiteiten konden deze uitgaven niet uit eigen zak financieren. Zeker niet toen eind jaren negentig het studentenaantal weer toenam en de overheid niet bereid was het universitaire budget verder te laten stijgen. Kortom, er moesten externe financiers worden gevonden: de banken.

Tegenwoordig is deze kleinburgerlijke laag van theoretici en haar ideeën erg dominant in de meeste progressieve bewegingen. Enerzijds komt dit vanwege hun invloedrijke maatschappelijke positie, anderzijds vanwege het intellectuele arbeid die ze verrichten. De eerste geeft hun grotere mogelijkheden voor platforms om hun stem te verheffen, en door de tweede zien ze zichzelf als de vanzelfsprekende ‘leiders’ van bewegingen en domineren ze de politieke activiteiten die daaraan zijn verbonden. Ze denken het meestal beter te weten waardoor ze erg éénzijdig en extreem zijn in hun theorie en praktijk.

Vanuit haar economische positie daarentegen, laat de kleinburgerij blijken dat ze niet de kracht heeft om de kapitalistische maatschappij fundamenteel te doen veranderen. Dit komt omdat ze geen gezamenlijke controle kunnen uitoefenen over de meest dominante productiemiddelen, zoals het proletariaat kan die gezamenlijk werkzaam zijn in de haven, bouw, het openbaar vervoer, het transportwezen en logistiek, productie van grondstoffen en machines enz.

In het algemeen heeft de kleinburgerij moeite om een consistente en langdurige proletarische strijd te voeren. Net als het proletariaat, worden delen van de kleinburgerij onderworpen door het financierskapitaal.16 De kleinburger die het bijvoorbeeld niet op kan nemen tegen de monopolist en in economische ruïne terecht is gekomen, zijn/haar zaak heeft verloren of als hoogopgeleide gewelddadig het proletariaat in wordt geslingerd, gaat meestal over naar extreem revolutionaire of nationalistische uitspattingen, en vertoont ook altijd gebreken om collectief en gedisciplineerd werk uit te voeren. Deze anarchistische kenmerken van de kleinburger die door een doorgeslagen woede van zijn of haar onderdrukking een gebrek heeft aan consistentie, eindigt ook meestal in apathie, isolatie en onderwerping. In de meeste gevallen zal ze zichzelf weer proberen op te werken tot haar kleinburgerlijke positie, en is daarom ook geen leidende kracht.

Winkeleigenaren, kleine ondernemers, boeren, managers, opzichters, accountants, architecten, academici, docenten, studenten, psychologen, artsen, dokters, journalisten en ambtenaren zijn allen verdubbeld in twee verschillende belangen en staan daar recht tussenin. Enerzijds werken ze en wordt hen zoals het proletariaat een salaris uitbetaald waar ze net zo afhankelijk op zijn, anderzijds bestaan deze salaris en bonussen uit de door de werkers geproduceerde meerwaarde die zij in het productieproces hebben moeten controleren of onder de duim hebben moeten houden. De politie, het leger, BOA, gevangenisbewaarders, werkmeesters, afdelingshoofden enz. vallen hier vanuit hun economische positie ook onder, doordat ze de gevangenen die tot dwangarbeid zijn veroordeeld onder de duim moeten houden, terwijl ze zelf tegelijkertijd afhankelijk zijn op een salaris.

Het proletariaat of de arbeidersklasse:

Het proletariaat is de sociale klasse van moderne loonarbeiders die compleet naakt, los en ledig staan van alle noodzakelijke middelen van productie. Hierdoor zijn ze indirect geforceerd om hun arbeidskracht te verkopen om te werken en in leven te blijven aan hen die de middelen van productie wel bezitten, de burgerij. Het proletariaat wordt dus niet gekenmerkt door een hoog of laag loonniveau, maar het feit dat ze compleet gescheiden zijn van de productiemiddelen, en dus gedwongen zijn om hun arbeidskracht te moeten verkopen. Deze arbeiders, die zich stuksgewijs moeten verkopen, zijn een koopwaar, als ieder handelsartikel, en daardoor in dezelfde mate aan alle wisselvalligheden van de concurrentie, aan alle schommelingen van de markt blootgesteld.

Vanuit economisch oogpunt zijn ze de meest productieve klasse, omdat vooral zij door hun werk voor al het sociale welvaart in de samenleving zorgen. Het verbruik van hun arbeidskracht komt daarentegen nooit overeen met de waarde die ze voor hun gebruik hebben moeten verkopen, en het kapitaal die ze uit deze meerwaarde van hun werk scheppen, komt in handen van de burgerij. Het proletariaat wordt uitgebuit en onderdrukt door de burgerij, doordat ze meer waarde produceren dan het loon die ze ervoor ontvangen. Door de uitbreiding van de machinerie en de arbeidsverdeling verliest het proletariaat elk zelfstandig karakter, individualiteit en wordt niets meer dan een aanhangsel van de machines, van wie slechts de eenvoudigste, eentonigste, gemakkelijkst te leren handgrepen verlangd wordt. De ene proletariër kan hierdoor, net zoals een instrument, makkelijk worden vervangen door de andere.

Door de ontwikkeling van de moderne industrie ontwaakt het proletariaat, en door de concentratie van het kapitaal wordt ook het proletariaat geconcentreerd in gigantische steden17 die we vandaag de dag aanschouwen. Door deze concentratie op verschillende werkvloeren en in wijken onder een strikte arbeidsdiscipline, beschikt het proletariaat over de sterkste verenigingskracht, communicatievermogens en discipline noodzakelijk voor de omverwerping van het kapitalisme. Vanuit haar economische positie is het proletariaat de meest gevorderde kracht in de samenleving, omdat ze gezamenlijk werken met de productiemiddelen onder een internationale arbeidsverdeling. Ze hebben de potentie om een egalitaire en de meest progressieve economie in het leven te brengen door het privékarakter van de productiemiddelen af te schaffen: het socialisme. Vanuit historisch perspectief bekeken is het proletariaat de eerste sociale klasse die zo’n soort economie kan realiseren. We baseren onszelf voornamelijk op het proletariaat als de ruggengraat en leidende kracht voor de sociale revolutie, en door haar leidingschap en verenigingskracht kunnen de andere besluiteloze en wankelmoedige elementen aan ons worden gebonden.

De industrialisatie van Nederland begon pas in de tweede helft van de 19de eeuw door de opkomst van de metaal- en textielindustrie en er ontwikkelde zich een moderne arbeidersklasse. De leefomstandigheden van het Nederlandse proletariaat behoorde aan het begin van de 19de eeuw tot de slechtste van Europa. In de steden was 25% van het proletariaat verpauperd, het voedsel was slechter dan in de drie eeuwen daarvoor en als gevolg daarvan was de fysieke kracht van de mensen met 1/5de afgenomen.

Vanwege de dorst voor winst hebben de werkgevers vanaf de jaren negentig de hoeveelheid vaste contracten teruggedrongen voor flexibele contracten, waardoor werknemers tegenwoordig minder salaris, vaste uren, zekerheid en rechten hebben.18 Daarnaast heeft de uitzendbranche zich volop ontwikkeld sinds de jaren zestig en zich parasitair genesteld tussen werknemers en ondernemers. Door deze ontwikkelingen zijn bedrijven minder gecentraliseerd en worden veiligheidsregels minder streng nageleefd, waardoor de hoeveelheid dodelijke ongevallen in de bouw en metaal zijn toegenomen.19 Jaarlijks sterven er gemiddeld 3.000 medewerkers in Nederland door werk, en hebben 30.000 werknemers een ongeluk met verzuim tot gevolg. Vanwege de afbraak van vaste contracten kunnen werkgevers de werkdruk makkelijker opvoeren, en blijven werknemers zelfs tijdens ziekte of ongeval minder gauw thuis uit angst om hun baan niet te verliezen. De term “precariaat” is een product van deze ontwikkelingen.

Het proletariaat in Nederland is werkzaam in de industrie en de dienstensector die aan elkaar zijn verbonden. Deze laatste is erg dominerend vanwege de sterke positie die het handelskapitaal in Nederland heeft. De industrie daarentegen is gekrompen vanwege de technologische vooruitgang, offshoringen en faillisementen. De dienstensector bestaat voornamelijk uit de horeca, het openbaar vervoer, de haven, het transportwezen en logistiek, bezorgers (runners), winkels (detailhandel), callcenters, theaters, kappers enz. De industrieën daarentegen bestaan uit de vervaardiging van dranken, voedselwaren, tabaksproducten, betonproducten, delfstoffen, papier, karton, chemische producten, metalen in basisvorm, wapens en munitie, meubels, machines, elektrische apparatuur, synthetische vezel, textiel, leer, lederwaren en schoenen, primaire houtbewerking en vervaardiging van artikelen van hout, kurk, riet en vlechtwerk enz.

Tegenwoordig zijn er 3.971.859 mensen met een niet-Nederlandse achtergrond in NL20 en deze bestaan voornamelijk (en niet alleen) uit Syrische, Eritrese, Iraanse, Iraakse, Afghaanse en Somalische vluchtelingengroepen, en Turkse, Marokkaanse, Surinaamse, Antilliaanse, Poolse, Bulgaarse en Roemense arbeidsmigranten.21 Aan het begin van de 19de eeuw bestond de arbeidersbeweging mede uit migrantenarbeiders uit Duitsland en Frankrijk. In de 20de eeuw komen de migrantenarbeiders uit landen als Marokko, Turkije, Polen, Roemenië, de (voormalige) koloniën en, in mindere mate, Zuid-Europese landen als Spanje bij. Deze goedkope reserve aan arbeidskracht zijn inmiddels, met een tweede- en derde generatie, geworteld in de Nederlandse samenleving. De nieuwe generatie gastarbeiders zijn voornamelijk afkomstig uit Oost- en Zuid Europa. Deze arbeiders werken en leven vaak in inhumane omstandigheden, krijgen ver onder het minimumloon betaald, hebben geen vorm van vertegenwoordiging en worden grotendeels buitengesloten door de maatschappij.

Er is geen fundamentele tegenstelling tussen de economische belangen van NL’se en buitenlandse arbeiders. Tegenover al het nationale geharrewar en ruzie stelt de arbeidersbeweging in alle imperialistische landen de volgende eis: onvoorwaardelijke eenheid en samensmelting van de arbeiders van alle nationaliteiten in elk industrie en sector, in alle vakbonden en alle andere arbeidersorganisaties, als tegenwicht tegen het burgerlijk nationalisme. In plaats van afscheiding en opsplitsing in vijf vingers zullen de werkers zichzelf moeten verenigen onder één vuist. Slechts bij een dergelijke eenheid kunnen de belangen van de arbeiders tegen het kapitaal — dat reeds internationaal is — verdedigd worden en kan de ontwikkeling van de mensheid naar een nieuwe levensvorm, waarin uitbuiting onmogelijk is, gewaarborgd worden.

Het bestaan van het proletariaat is voorwaarde voor de kapitalistische productiewijze en deze economisch uitgebuite klasse, deze onderste laag van ons tegenwoordige maatschappij, kan zich niet oprichten, niet verheffen, zonder de gehele maatschappelijke verhoudingen te vernietigen. Geen enkel parlementaire partij vertegenwoordigt de belangen van het proletariaat in zijn geheel. Vanuit haar economische positie zal een geslaagde machtsovername van het proletariaat de voorwaarden scheppen voor een klasseloze beschaving en daarmee de vernietiging van haar eigen ellende. De meerderheid van de bevolking in Nederland maakt deel uit van het proletariaat, en in vergelijking met de verleden bewegingen van minderheden is de proletarische beweging de zelfstandige beweging van de ontzaglijke meerderheid in het belang van de ontzaglijke meerderheid.22 Het proletariaat is onze kracht voor een betere wereld.

De arbeidersaristocratie:

Door de enorme exploitatie en onderdrukking die de imperialistische naties, waaronder Nederland, de omliggende en economisch zwakkere naties aandoen, hoopt de burgerij in al deze landen enorme winsten op bovenop de normale winsten. Hierdoor hebben ze de ontzaglijke financiële mogelijkheid om een gedeelte, en dan ook de meest invloedrijke gedeelte van de arbeidersklasse, om te kopen en aan haar zijde te houden. Met deze knechten probeert de burgerij de rest van de arbeidersklasse onder haar duim te houden, de strijd te dempen en om te vormen tot een karikatuur. Het huidige poldermodel23 (praatjesmodel) is hier het voorbeeld van. Hierdoor ontstaat er een arbeidersaristocratie die in woord de kant van de werkende klasse kiezen, maar in feite de kant van de burgerij innemen en met gematigde politiek de werkers proberen te misleiden; dit zijn de top van de vakbonden en de parlemantaire partijen zoals de FNV, CNV24, PvdA, enz.

In sommige periodes kunnen ze zelfs worden geweerd door de burgerij, maar wanneer de klassenstrijd intensiveert zal de burgerij deze arbeidersaristocraten omkopen en inzetten als haar vertolkers in de arbeidersbeweging. In de vorm van de Algemene Werkgeversvereniging Nederland (AWVN) betalen kapitalisten bij iedere nieuw afgesloten cao de betrokken vakbonden €20,83 voor ieder werker die onder de afgesloten cao valt. Hiermee betaalt deze overkoepelende werkgeversorganisatie de vakbonden voor een cao die in haar belang zal staan. Als de bonden in een bepaald jaar voor 5 miljoen werknemers een cao afsluiten, komt deze corruptie uit op ruim €100 miljoen. Hiervan zal de helft (een tientje dus per werknemer) naar de grootste vakbond in NL gaan, de FNV, en zal niet eens voor de stakingskas mogen worden gebruikt. De burgerij zal dus met miljoenen euro’s de vakbonden omkopen voor een voordelige cao, om er vervolgens miljarden euro’s tijdens de werkdag uit de werkers te kunnen persen.25

Door hun invloedrijke positie kunnen deze arbeidersaristrocraten en opportunisten de arbeidersbeweging de dood in verstrengelen. De vakbonden zijn in de loop van ruim honderd jaar veranderd van een spontane actiegroep in een bureaucratisch apparaat met onroerend goed, aandelenpakketten, enz.26 In geen geval dienen zij de belangen van de meerderheid van mensen, de belangen voor de bevrijding van ons arbeid aan de knechting van het kapitaal, maar eerder de belangen van de minderheid, en de verzoening van deze minderheid met het kapitalisme.

Het beginselprogramma van de Partij van de Arbeid in 1947 bijvoorbeeld was bedoeld om “een economisch bestel zonder klassentegenstellingen, waarin het proces der behoeftenvoorziening door bijzondere organen ten bate der gemeenschap wordt geleid, de voornaamste productiemiddelen op de gebieden van industrie, bankwezen en transport zijn gesocialiseerd… De partij bestrijdt niet slechts de uitwassen der kapitalistische productiewijze, maar het stelsel zelf, de daaruit voortvloeiende sociale verhoudingen en de deze maatschappij beheersende geest.” Deze partij wilde dus niet slechts “de uitwassen der kapitalistische productiewijze” bestrijden, maar zelfs “het stelsel zelf”! Hoe anders is dat vandaag de dag! Tegenwoordig voert het een oorlog op haar eigen verleden beginselen en daarmee op de meerderheid van mensen, de arbeidersklasse. In 2010 ging de PvdA mee met de bezuinigingen dat in 2017 op 52 miljard zal uitkomen. Deze ‘VVD-beleid’ voerde de top van de PvdA niet alsof ze gegijzeld was door haar coalitiepartner, maar als eigen keuze. In augustus 2013 zei Dijsselbloem het volgende: ‘Als wij alleen in het kabinet zouden zitten, zouden wij ook de begroting op orde brengen’.27

Deze arbeidersaristocraten zijn de meest schaamteloze opportunisten van de arbeidersbeweging. De strijd tegen het imperialisme gaat samen met de strijd van de onderdrukte landen voor nationale zelfbeschikking, en de strijd tegen het opportunisme in de arbeidersbeweging. Het kapitaal kan niet worden verslagen zonder het neerhalen van nationale onderdrukking en opportunisme.

Maar er is een wezenlijke verschil tussen de kleine omgekochte top van deze instituten en de rest van haar leden, want over de meeste kwesties is deze top in conflict met haar leden of haar afdelingen. Binnen deze instituties zijn er altijd kritische geluiden te horen van haar leden die ontevreden zijn met de koers van de bond of van haar partij, of zelfs daartegen in aktie komen. Deze leden hebben niet dezelfde maatschappelijke positie en zijn een progressieve kracht die we aan ons moeten binden, en de leidingschap van de opportunisten over hun moeten zien te ontbinden.

Het lompenproletariaat:

Om de kosten in het bedrijf zo laag mogelijk te behouden neemt de burgerij nooit meer werkers aan dan noodzakelijk is om zoveel mogelijk winst te kunnen generen, waardoor de hoeveelheid banen nooit overeen komt met de samenstelling van het proletariaat. De burgerij zal haar kapitaal zo min mogelijk spenderen in productie, maar er tegelijkertijd zoveel mogelijk winst proberen uit te halen. Uit deze tegenstrijdige beweging van het kapitaal ontstaan er delen in het proletariaat die niet aan een baan kunnen komen en dienen als een soort ‘reserve leger aan arbeidskracht’ voor het kapitaal. Criminaliteit is geen eigenschap inherent aan een bevolkingsgroep of aan de mens in het algemeen. Werkloosheid en verpaupering is daarentegen een inherente eigenschap van de kapitalistische productiewijze en een gedeelte van het proletariaat zal daar permanent slachtoffer van zijn en steeds dieper naar de bodem toe zinken. Er ontstaat een lompenproletariaat, de onderste en meest kwetsbare laag van de maatschappij, die niet zonder meer werkloos zijn, maar permanent en voor langere tijd werkloos zijn en zichzelf daardoor via illegale (en soms gedoogde) manieren moeten voorzien in hun levensbehoeften. Ze zijn niet opgenomen in de maatschappelijke arbeidsverdeling en dienen als een parasitaire klasse. Dit zijn drugsdealers, prostitués, pooiers, afpersers, zakkenrollers, dieven, inbrekers, bedelaars enz. in één woord, de bodem van ons maatschappij.

Daar waar adequate oplossingen ontbreken zal onderdrukking het overnemen. Het kapitalisme zal de criminaliteit en werkloosheid in de maatschappij nooit weten op te lossen; met een samenspel van factoren is dit economisch systeem daar zelf de grootste aanleiding voor. Als reactie op hun illegale activiteiten wordt de lompenproletariaat onderdrukt door de staat, waardoor ze een groot gedeelte van hun leven in de bajes moeten spenderen28 en zo toch worden opgezogen in de maatschappelijke arbeidsverdeling. Het kapitaal onderdrukt haar eigen product en buit haar vervolgens verder uit. De gevangenissen in Nederland zijn fundamenteel gebaseerd op werk en exploitatie van de gevangenen, waarop het verder regime en de specifieke functies van de bewaarders, artsen, psychologen en afdelingshoofden uit voort vloeien. Het is voornamelijk bedoeld om de gevangenen onder de duim te houden en te laten werken. Deze arbeid was voerdien optioneel, maar sinds 2012 is deze verplicht gesteld door Fred Teeven (VVD).

De discussie over de privatizering van het gevangeniswezen begint na de milleniumwisseling.29 In de vorm van het Kenniscentrum PPS heeft de Ministerie van Financiën (?!) haar best gedaan deze privatizering door te voeren. In 2003 bracht het Ministerie van Financiën een rapport uit genaamd, De toepassing van Publiek Private Samenwerking op een Nederlandse gevangenis30. Het rapport probeert een beeld te schetsenhoe een denkbeeldige, nieuwe gevangenis kan worden gerealiseerd en geëxploiteerd op basis van Publiek Private Samenwerking.31 Dit was eerder een praktische handleiding naar het toepassen van PPS in de gevangenissen, dan een onderzoek: “Maar vooral: ga over van de fase van discussie en onderzoek naar de fase van voorbereiden en realiseren van een PPS gevangenis: al doende leert men meer dan door te studeren. De belangrijkste aanbeveling is derhalve: laat geen tijd verloren gaan met verdere studie, maar ga aan de slag met de bovenstaande aanbevelingen zodat op de kortst mogelijke termijn onomkeerbare stappen op weg naar de realisatie van een PPS gevangenis worden gezet”.32

Door de bezuiningen na de economische crisis van 2007/2008 zijn er ongeveer 30 vooral kleine, maar ook grote gevangenissen in Nederland gesloten. Maar tegelijkertijd zijn er drie gevangenissen gebouwd op basis van PPS-constructies. Dit zijn: Detentiecentrum Rotterdam Airport (2010), Justitiëel Complex Schiphol (2012) en de gigantische Justitiëel Complex Zaanstad (2016) waar plaats is voor meer dan 1.000 gedetineerden. Als de burgerij deze constructies blijft doorvoeren waardoor het winstbejag de overhand zal nemen, zal de staat de gevangenissen actief moeten voorzien van werkslaven om zo winstgevend mogelijk te blijven. Terwijl de overheid beweert dat de criminaliteit zou dalen, zal ze nu dus juist baat hebben bij meer veroordeelden. Ze zal zelfs de wetten ervoor moeten aanpassen en verharden om zoveel mogelijk veroordeelde mensen door te sluizen naar het gevangenissysteem, of beter gezegd, de gevangenisindustrie. Hierdoor zal de onderdrukking vooral op het lompenproletariaat (en nationale minderheden) toenemen de komende jaren.

Verder bestaat er in élke bajes gedwongen winkelnering33 waar de burgerij verder van profiteerd. De gevangenen worden geforceerd om minstens 20/25 uur per week te werken voor een uurloon van €0,76, terwijl ze in dezelfde tijd meer waarde produceren dan ze ervoor terug krijgen.34 Verzetten ze zich tegen het werk, dan staan daar maatregelen tegenover, zoals de isolatie.

Het loon die de gevangenen ontvangen na hun werk spenderen ze weer in de winkel van de bajes. Alles wat er op de kooplijst van de winkel staat weergeven, mag niet van buiten de gevangenis naar binnen worden gebracht, zoals telefoonkaarten en sigaretten. Het geld moet gespendeerd worden aan de artikelen van de bajes, waardoor ze een monopolie hebben en de prijzen in de winkels makkelijk hoog kunnen houden.

Vanwege de korte uren die bij wet zijn vastgesteld waarin de gevangenen per week mogen werken, maken de gevangenissen gebruik van ploegendiensten. Het uurloon verschilt voor een aantal centen per afdeling. De afdelingen bestaan bijvoorbeeld uit: hout, metaal, de werkplaats, de bakkerij en de wasserij en varieërt van lassen, houtbewerking, snijden, timmeren enz. Op de “werkplaats” worden sponsjes en wasknijpers in elkaar gezet, pc’s gedemonteerd, retourgoederen van webshops opnieuw verpakt en andere elektronische apparaten in elkaar gezet. In de bakkerij wordt het brood gebakken, en de bedden en matrassen die ze produceren worden weer gebruikt voor de gevangenissen, waardoor de gevangenen op die manier fysiek bijdragen aan hun eigen onderwerping.

In het algemeen is het lompenproletariaat een extreem instabiele groep, vertonen gebreken om collectieve aktie uit te voeren en worden hier en daar door de arbeidersbeweging geslingerd. In de meeste gevallen denken ze aan hun eigen kruiperige belangen, waardoor ze makkelijk omgekocht en gebruikt kunnen worden door de burgerij om te dienen als stakingsbrekers, provocateurs, informant of als spiermassa. Ze zijn makkelijk vatbaar voor anarchistische ideeën en om destructie te plegen. Maar tegelijkertijd hebben ze een geweldige afkeer aan het kapitalistisch systeem, vanwege hun economische ellende en de staatsonderdrukking. Hierdoor hebben ze de potentie om een progressieve rol te spelen, mits het onder de leidingschap is van het proletariaat. Als ze worden gewonnen voor proletarische ideeën en zichzelf omvormen, dan kunnen ze een sterke rol spelen in de arbeidersbeweging en de machtsverhoudingen doen kantelen. Het zijn enorm dappere strijders, maar jammer genoeg geneigd destructief te zijn.

Verder kunnen we het lompenproletariaat onderscheiden in een andere specifieke laag. Naarmate delen van het lompenproletariaat zich door middel van criminele (en ook legale) activiteiten kunnen verrijken en oprichten tot leden van de burgerij, noemen we ze illegale kapitalisten; dit is de geörganiseerde misdaad die miljoenen aan winst maken door middel van drugshandel, afpersing en witwassen. Hieronder valt de Nederlandse geörganiseerde misdaad, de Hell’s Angels, No Surrender, Satudarah, Trailer Trash, de Bandidos enz. De Italiaanse maffia zoals de Ndrangheta uit Calabrië en de Camorra uit Napels enz. Dit is daarentegen een uiterst reactionaire groep.

Bijzondere sociale klassen en groepen:

Deze groepen staan niet los van de sociale klassen in het kapitalisme (imperialisme), maar we schenken er extra aandacht aan vanwege hun bijzondere omstandigheden en de specifieke vormen van onderdrukking die ze ondergaan.

Ongedocumenteerde vluchtelingen in asielzoekerscentra. Dit is een belangrijke sociale groep die economisch en nationaal onderdrukt worden en waar meer onderzoek voor nodig is.

Nationale minderheden. Pools, Turks, Marrokkaans, Antilliaans, Surinaams, Angolees, Afghaans, Iranees, Hindoestaans, Filipijns enz. Dit zijn belangrijke sociale groepen die nationaal onderdrukt worden en waar meer onderzoek voor nodig is.

Vrouwen. Dit is een belangrijke sociale groep die onderdrukt worden door het patriarchie in het kapitalisme en waar meer onderzoek voor nodig is.

De LGBTQ+ gemeenschap. Dit is een belangrijke sociale groep die onderdrukt worden door het patriarchie in het kapitalisme en waar meer onderzoek voor nodig is.

Samenvatting:

We proberen dus voornamelijk het proletariaat te organiseren, en in zoverre mogelijk wordt onder haar leidingschap en principes de progressieve lagen van de kleinburgerij en de onderdrukte elementen van de lompenproletariaat onder haar hoede gebracht. Met een alliantie tussen deze drie klassen, waarbij het proletariaat voorop staat, richten ze zich tegen hun principiële vijand, het financierskapitaal, de rest van de burgerij en de arbeidersaristrocratie die aan haar zijde staan.

Door de politieke macht te veroveren zal het proletariaat onder deze democratische alliantie haar dictatuur vestigen tegen de oude heersende klasse, en stap voor stap al het kapitaal uit handen van de burgerij nemen, en daarmee het privé karakter van de productiemiddelen afschaffen. Het meerwaarde van het werk die het proletariaat schept komt in haar eigen handen, en met de democratische en geplande controle over de productiemiddelen kan het proletariaat in loop der tijd het socialisme in leven brengen, en daarmee alle irrationaliteiten, het economische ongelijkheid en al het ellende die voortvloeien uit het kapitalistische systeem, opheffen.

Zonder revolutionaire theorie is er geen revolutionaire praktijk. De geschiedenis leert ons dat als het proletariaat niet bewapend is met de juiste revolutionaire theorie het de klassestrijd niet compleet tot zijn logische conclusie kan doorvoeren en daarmee niet fundamenteel een einde kan maken aan exploitatie en onderdrukking in de maatschappij.

Om dit werkelijk in beweging te brengen is het noodzakelijk dat de proletariaat haar meest gevorderde uitdrukking vindt – haar voorhoedepartij. Door middel van deze partij kan het proletariaat hun spontane en halve strijd oprichten naar dat van een bewuste en militante strijd die haar complete klassenbelang vertegenwoordigd en hooghoudt. De partij is slechts een instrument van de proletariaat bedoeld voor de klassestrijd, en om de werkende klasse te verenigen onder een gedeelde politieke program die fundamenteel is gebaseerd om de arbeidersklasse op te richten tot de heersende klasse.

Werkers en onderdrukte volkeren van alle landen, verenigt u!

We hebben niets te verliezen behalve onze ketenen!

We hebben een wereld te winnen!

 

1Deze definitie werd gehanteerd door Vladimir I. Lenin in zijn ‘A Great Beginning: Heroism of the Workers in the Rear: ‘Communist Subbotniks’ in: ‘Collected Works’, Volume 29; Moscow; 1965; p. 421.

2Deze vond volgens de meeste historici plaats tussen 1568 en 1648. Het was in feite een burgerlijke revolutie waarbij de burgerij haar rijkdommen op compleet verschillende wijze verkreeg dan de feodalere heren, waardoor ze de maatschappij ook op radicaal verschillende wijzen wilden inrichten. De feodale heren kregen hun rijkdom doordat de lijfeigen waren gebonden aan de grond en daarom voor hun werkten. De burgerij daarentegen had er belang bij dat de lijfeigenen “vrij” waren, zodat ze zich aan hen konden verkopen om te werken. Deze conflicterende belangen ontstonden dus uit twee compleet verschillende maatschappijvormen, gebaseerd op twee verschillende manieren om de productie van rijkdom te organiseren, en uitte zich in de ideologische, politieke en militaire arena.

3Deze grondwetsherziening was al in 1844 in voorbereiding, maar werd door de sterke invloed van de revoluties in de rest van Europa in 1848 in werking gezet. Het vond weerstand door de toenmalige koning, want het betrof een machtsverschuiving van de koning naar de ministers en veranderde het staatsbestel.

4Er zijn ook voorbeelden van kapitalistische verenigingen bedoeld ter bevordering van de industrie, zoals de Nederlandsche Maatschappij voor Nijverheid, de Vereeniging tot bevordering van fabrieks- en Handwerksnijverheid in Nederland, de tegenwoordige Vereniging Nederlandse Metallurgische Industrie (VNMI) en de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU)

5W. van der Hoeven, De Nederlandsche Sigarenmakers en Tabakbewerkersbond opgericht op 26 december 1887. Zijn geschiedenis, werken en streven, Amsterdam 1937, p. 18

6Jan Wacht, Heet voor de vuren. “Een halve eeuw ontvoogdingsstrijd der Rotterdamse metaalbewerkers”, Rotterdam 1954, p. 74. Zie ook: Hans Binneveld, “De Rotterdamse metaalstaking van 1965”, Amsterdam 1977, p. 45.

7De Ongevallenwet werd in 1901 ingevoerd. Het was de eerste sociale-verzekeringswet in NL voor arbeiders. Eerst gold de Ongevallenwet alleen voor de gevaarlijke industriële bedrijven. Wanneer een verzekerde door een bedrijfsongeval overleed kreeg zijn weduwe een rente van 30% van het loon van haar overleden man. Onder bepaalde omstandigheden hadden ook de wezen recht op een uitkering.

8In 1996 fuseerde het VNO met de confessionele organisatie NCW tot de huidige VNO-NCW.

9De geschiedenis van de grootste bedrijven in NL is een van overnames en fusies, zoals dat van Shell, Unilever, Philips, Akzonobel, Vopak, SBM en TenCate, die het accumulatie van het kapitaal weerspiegelt. 37% van de aandelen van het monopolistische bedrijf Koninklijk DSM zijn verspreid over 7 banken en verzekeringsmaatschappijen, zoals ING en Blackrock. De ABN AMRO heeft behalve leningen en dergelijke, ook investeringen in fabrieken in NL en over de wereld: industriële bedrijven zoals Bollegraaf, Dutch Power Company, Dreumex, eVision, Jekill & Hyde, TenCate enz.

10V.I. Lenin, ‘Het imperialisme, als hoogste stadium van het kapitalisme’, (januari-juni 1916 ). Progres Moskou, 1966.

11Alleen het monopolistische bedrijf Philips beschikt al over 54.000 patent rechten. Patenten worden gebruikt door gevestigde industrieën om de concurrentie aan te pakken. In sommige gevallen bezit het bedrijf een patent op een bepaalde technologie en houdt deze zelfs achterwege wat belemmerd is voor de gehele technologische ontwikkeling.

12De Nigerdelta in Nigeria is een van de grootste rivierdelta’s ter wereld en een van de dichtstbevolkte regio’s van Afrika. Nadat Shell in 1956 ruwe olie had ontdekt begon de olie-industrie er commercieel te produceren. Als gevolg van kapotte pijpleidingen onstonden er olielekkages met een verwoestend effect op de omgeving, zoals op voedselvoorzieningen, huisvesting, werk, schoon drinkwater en gezondheid. De inwoners kwam in de jaren 1990 in protest (MOSOP) onder leiding van Ken Saro-Wiwa (geëxecuteerd). Shell vroeg aan een paramilitaire politie-eenheid om “bescherming” tegen deze vreedzame protesten in het dorp Umuechem. De twee dagen daarop vielen agenten het dorp aan en doodden daarbij ten minste tachtig mensen en brandden 595 huizen plat. Dezelfde “Konkinklijke” Shell speelde een rol bij een serie moorden, executies, verkrachtingen, martelingen en verbrandingen van dorpen door de Nigeriaanse militaire regegering in Ogoniland.

13Franz Kafka’s vader bezat een kledingwinkel en gebruikte zijn kinderen in hun jongere jaren als zijn arbeidskracht. In ‘een brief aan zijn vader’ schreef Kafka het volgende over hem: “De onmogelijkheid rustig met elkaar om te gaan, had nog een ander, eigenlijk heel natuurlijk gevolg: ik verleerde het spreken. Ik zou ook anders geen groot redenaar zijn geweest, maar de gewone vloeiende menselijke spraak zou ik toch beheerst hebben. Maar u hebt mij al vroeg het zwijgen opgelegd, uw dreigement: ‘Geen woord van tegenspraak!’ en de daarbij opgeheven hand vergezellen mij sinds die tijd.” Franz Kafka, ‘Brief an den Vater’, p. 15. Uitgeverij Em. Quirido’s N.V. 1969.

14Tijdens de eerste fase van de economische crisis daalde het percentage van kleine ondernemers in NL. Daarna daalde deze percentage verder, vooral tijdens de tweede fase van de crisis. De groei van het aantal kleine bedrijven nam daarmee per saldo sterk af. In de periode 2010–2014 zijn in totaal ongeveer 800.000 bedrijven opgericht en ruim 552.000 bedrijven opgeheven. Bron: Centraal Bureau van de Statistiek, “De staat van het Mkb”, 2015, p.40.

15De Rotterdam School of Management, één van de grootste faculteiten van de Erasmus Universiteit, heeft banden met olie-en gasbedrijf Shell, waardoor deze faculteit niet werd geraakt door de bezuinigingen. Ook Philips en Unilever hadden in deze faculteit geïnvesteerd. Voor die reden werken ze trouwens mee met Shell om de pubieke opinie te beïnvloeden over de afbouw van gaswinning in Groningen, ondanks het feit dat het voor veel ophef en onvrede heeft gezorgd onder de bewoners. Verder zijn er meerdere voorbeelden van faculteiten die niet zijn geraakt door de bezuinigingen, omdat het kapitaal er belang bij had om ze overeind te houden, zoals de technische opleidingen in TUDelft. Verder heeft de metalurgische industrie investeringen in universiteiten, HBO’s en TNO’s.

16Een kleine ondernemer, Giselé Somer, werd voor 18 dagen gevangen gehouden na het faillissement van haar grand-café op de Pier in Scheveningen, omdat ze drie boetes niet kon betalen. Ze belandde in totaal driemaal in de bajes. “Het was zo vernederend, zo heftig” vertelde ze. Duizenden andere mensen werden in 2012 gegijzeld door het CJIB (Centraal Justitieel Incassobureau) omdat ze hun boetes niet betaalden. De CJIB is niet duidelijk over haar recente cijfers, maar in 2012 steeg het aantal zaken waarbij ze om gijzeling vroeg met 21%! Dat zijn 57.765 zaken in een jaar! De crisis heeft deze situatie verergerd, volgens advocaat Ron van der Beek: “Vroeger was het dreigen met een verblijf in gevangenis een prima dwangmiddel om mensen te laten betalen. Maar nu is dat geld er bij veel mensen niet meer.” . In ruim 40% van de gevallen trekken schuldenaars alsnog aan hun portemonnee. Dit zijn dezelfde instituties die het financierskapitaal helpen met het ontwijken van de dividentenbelasting, zoals voor Shell. Zie: Tobias den Hartog en Carla van der Wal, AD “Duizenden ‘gewone mensen’ gegijzeld door CJIB”. 5 februari 2016. EnJan Kleinnijenhuis, Trouw, “Shell ontwijkt dividendbelasting”. 16 juni 2018.

17Nederland kent tegenwoordig geen sloppenwijken meer, maar de arbeiderswijken in de 19e eeuw werden gekenmerkt door bittere armoede, krotwoningen, vuil, stank, terugkerende epidemieën en gebrek aan licht, lucht, schoon water en riolering. Pas na de overgang naar het moderne imperialisme werden er voorschriften doorgevoerd die de bouw en bewoning van slechte en ongezonde woningen onmogelijk maakten; de Woningwet van 1901. Tegenwoordig staan deze wijken bekend als probleem- of achterstandswijken. Zie Auke van der Woud (2010), “Koninkrijk vol Sloppen”.

18Vooral jongeren hebben een grote kans op een flexibel contract. Maar ook op hogere leeftijd hebben steeds meer mensen een flexibele arbeidsrelatie. Bijna 3,3 miljoen mensen hebben een flexcontract of zijn zelfstandige, terwijl er ruim 5 miljoen een vaste baan hebben. Centraal Planbureau, Flexibiliteit op de arbeidsmarkt (2016).

19Sinds de economische crisis van 2008 zijn de hoeveelheid bouwprojecten gestegen voor stadscentra’s en huizen. Het aantal flexibele contracten zijn gestegen, waardoor er slechte samenwerkingafspraken bestaan en meestal geen centrale veiligheidscoördinator is in de bouw. In het begin van de crisis waren er jaarlijks meer doden dan voorheen. In 2010 waren er 24 doden, in 2013 waren er 25 doden, daarna waren er in 2015 9 doden, in 2016 waren er 16 doden en in 2017 waren er 20 doden. In de afgelopen acht jaar (sinds 2018) vielen er 162 doden (!!) in de bouw en dat is bijna 30 procent van alle dodelijke bedrijfsongelukken.

20CBS statline: “Bevolking; generatie, geslacht, leeftijd en migratieachtergrond, 1 januari.” 14 mei 2018.

21“De vier grootste niet-westerse groepen in Nederland hebben een Turkse (397.000), Marokkaanse (386.000), Surinaamse (349.000) of Antilliaanse (151.000) achtergrond. In 2015 kwamen per saldo 9.600 Polen naar Nederland en in 2014 12.100. In die jaren kwamen er gemiddeld 2.000 Bulgaren en Roemenen bij. De immigratie uit deze landen nam toe nadat per 1 januari 2014 de tewerkstellingsvergunning werd afgeschaft. Direct na de toetreding tot de EU van Bulgarije en Roemenië in 2007 was het migratiesaldo hoger dan in 2014 en 2015. De immigratie van vluchtelingengroepen fluctueerde de afgelopen twintig jaar. Zo vond in de eerste jaren na 1995 vooral immigratie uit Afghanistan en Irak plaats, daarna uit Iran en Somalië. De immigratie vanuit Iran vond vooral voor de eeuwwisseling plaats.” CBS: “Bevolking naar migratieachtergrond”. 21 november 2016.

22Hier moet nog uitgebreid onderzoek naar worden verricht, maar tot nu toe lijkt het proletariaat de grootste klasse.

23De voorlopers van de SER (poldermodel) waren de regionale Kamers van Arbeid van 1897, opgevolgd door de Koninklijke Nationaal Steun Comité van 1914, en vervolgens de Hoge Raad van Arbeid van 1920.

24Ton Heertz, de voormalige voorzitter van de FNV, ontving in 2012 een salaris van iets meer dan €100.000, inclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering, levensloopregeling en onkostenvergoeding. De voorzitter krijgt ook een auto met chauffeur ter beschikking. Hetzelfde geldt voor de huidige voorzitter Han Busker van de FNV. Deze man begon zijn carrière in de Koninklijke marechausse en stapte in 1986 over naar de politie, eerst in de gemeente Amsterdam en vervolgens op Schiphol. In 1997 ging hij aan de slag als individuele belangenbehartiger bij MARVER, vakbond de Marechausseevereniging. De voorzitters van de grote FNV-bonden Abvakabo en Bondgenoten ontvangen ruim €90.000. Ook het CNV (340 duizend leden) betaalt zijn voorzitter, Jaap Smit, ongeveer een ton per jaar. In die buurt komen ook de voormannen van de kleinere vakcentrale MHP (120 duizend leden). Duovoorzitter Bob van der Wal, tegelijkertijd personeelsmanager bij de KLM, wordt door zijn werkgever “beschikbaar gesteld” voor het vakbondswerk en heeft ook een auto van zijn “oude werkgever” ontvangen.

25De buschauffeurs die in Utrecht in 2018 voor 9 dagen staakten maakten ophef over het feit dat de FNV-onderhandelaar Paula Verhoef zelfs in het geheim een cao-akkoord met de werkgevers had afgesloten. Hierbij ondermijnde ze de oorspronkelijke eisen, terwijl de kaderleden een nieuwe dag staken aan het voorbereiden waren. De kaderladen stelden een brief op naar hoofdbestuurder Zakaria Boufangacha, coördinator arbeidsvoorwaarden in het FNV-bestuur, die zich niks aantrok van de eigen reglementen. “Een schandalig vertoon van onbekwaamheid, arrogantie en respectloos gedrag naar de leden”, schrijven ze in de brief aan het bestuur. Ze eisen dat Boufangacha met onmiddellijke ingang uit zijn functie wordt ontheven. NOS, 14 juli 2018. Zie daarnaast Peter de Waard, “Waarom betalen niet-leden ook vakbondscontributie?” De volkskrant, 11 juli 2018.

26Het aantal vakbondsleden is vanaf 1910 tot 1980 gestegen van 185.000 leden tot 1,79 miljoen leden. Na 1980 heeft er een schommeling plaatsgevonden, maar na 1999 is het ledentaantal alleen maar gedaald. Tussen de periode van 2011 en 2017 alleen al zijn ze 173.000 leden kwijtgeraakt. Dit in dezelfde periode van de economische crisis en de Occupy Movement van 2011. Ongeacht de algemene daling, zijn er wel steeds meer vrouwen en 65-plussers lid geworden van een vakbond. Daarnaast had de FNV de afgelopen jaren te maken met een budgettekort van €3,8 miljoen vanwege het uitstroom van leden. Daarom zijn ze aan het bezuinigen en zijn er grote interne fusies geweest, waardoor er een slankere goedkopere organisatie is gekomen. Daarnaast is veel overbodige kantoorruimte afgestoten, wat tot een flinke kostenbesparing leidde. Desondanks is het tekort alleen maar verder opgelopen. Bron: CBS, “Historie leden vakverenigingen” statline. 26 oktober, 2017. En zie Peet Vogels, Algemeen Dagblad, 9 juli 2018.

27“Dijsselbloem: Ook zonder VVD zou ik bezuinigen”, Jelle Brandsma – 1:45, 20 augustus 2013. https://www.trouw.nl/home/dijsselbloem-ook-zonder-vvd-zou-ik-bezuinigen~a66e4ca4/

28Vanwege hun illegale activiteiten die ze vooral uit economische dwang uitvoeren, belanden de meeste lompen na verloop van tijd steeds opnieuw in de gevangenis. De meeste hebben een erg lange strafblad van meerdere misdrijven, of sommige kunnen ook een lange straf uitzitten van bijvoorbeeld 13 jaar. Een gedetineerde in voorarrest vertelde me eens dat hij het mentaal niet meer aan kon om een gevangenisstraf van 5 jaar uit te moeten zitten boven op zijn verleden straffen. Hierop had zijn broertje besloten om de schuld op zichzelf te nemen en de 5-jarige gevangenisstraf uit te zitten. Hij eindigde zijn verhaal met: “Het leven is zwáár, broertje”.

29“Ik zou wel lichtreclame op de gevangenistorens willen plaatsen”, zegt Jacq van Huet, directeur van de `Bijlmerbajes’ in Amsterdam. “Een prachtige plek, goed te zien vanaf de A10. Het zou mij extra inkomsten geven. Maar het mag niet van het hoofdkantoor in Den Haag.” Zijn collega-directeur in Almere had hetzelfde probleem. Hij wilde een windmolen van Nuon bij zijn gevangenis plaatsen. Mocht ook niet. “Ik zou deze gevangenis beter runnen als die geprivatiseerd was”, zegt Van Huet, tevens voorzitter van de Vereniging van Directeuren van Penitentiaire Inrichtingen (VDPI). Zestig procent van zijn collega’s, schat hij, is net als hij voorstander van privatisering. Ze willen een eigen toko, in de veronderstelling dat ze hun gevangenis dan beter kunnen leiden. NRC. Irene van der Linden. 20 Januari 2001.

30Publiek-Private Samenwerking wordt afgekort als PSS en is een samenwerkingsvorm tussen de overheid en één of meerdere bedrijven om de gevangenissen om te zetten in een winstgevend bedrijf. Anders dan bij de openbare aanbesteding van overheidsbestedingen, bemoeit de overheid zich bij een PPS niet met de inhoud of de uitvoer. Ze stuurt uitsluitend op het gewenste einddoel, zodat bedrijven alle vrijheid hebben om de uitvoering naar eigen inzicht vorm te geven. De onderneming wordt voor een lange periode gecontracteerd om niet alleen te ontwerpen, te bouwen, te beheren, maar vaak ook om het project te financieren. De meest gangbare vorm van PPS in Nederland is het zogenoemde DBFM-contract (Design, Build, Finance & Maintain). Hiermee worden genoemde verantwoordelijkheden overgedragen aan marktpartijen met als gevolg dat meerwaarde (winst) wordt gerealiseerd.

31“De toepassing van Publiek Private Samenwerking op een Nederlandse gevangenis. Een verkennende argumentatie.” Ministerie van Financiën en Kenniscentrum PPS. P.2 2003

32Idem dito. P.35

33Het is een overeenkomst waarbij de werknemers worden uitbetaald in bepaalde artikelen in plaats van geld. Op die manier kunnen werknemers niet beslissen hoe ze hun geld willen spenderen, waardoor ze verder worden geknecht aan de werkgever. De werkgever heeft dan een monopolie, omdat er geen competitie is en de dus prijzen makkelijker kan verhogen. Deze praktijk bestond in Nederland sinds het 19e-eeuwse kapitalisme en bestaat nog steeds in bejaardetehuizen. Deze praktijk was mede aanleiding voor een grote staking van veenarbeiders, die op 22 maart 1888 in Appelscha begon en die zich snel over de noordelijke provincies uitbreidde. In Engeland staat het bekend als “truck system” of “company scrip”.

34De gevangenen werken tijdens hun detentie voor de penitentiaire productiebedrijven In-Made, met 41 locaties en 8000 werkende gedetineerden. Deze bedrijven zijn verworven met de staat, Dienst Justitiële Inrichtingen, en maken gebruik van de enorm lage lonen in de gevangenissen om hun winsten te behalen.

Leave a Comment